Het valt me op dat op kantoren in Yangon, de hoofdstad van Myanmar, veel jonge Myanmarese vrouwen werkzaam zijn. Deze opkomende generatie urban professionals, heeft redelijk onderwijs gehad, soms ook in het buitenland. Apart is dat veel van hen eind twintig zijn, velen zonder relatie, en zeker zonder gezin. 

Tijdens een brainstormsessie met een jong management team, waarin we bespraken hoe je als bedrijf moet investeren in werknemers, werd het onderwerp vrouwen op de werkvloer lacherig besproken. Verder dan het voldoen aan de wet voor wat betreft zwangerschapsverlof, nog korter dan in Nederland, kwam de discussie niet. Toen ik opperde om serieus na te denken over hoe de organisatie het mogelijk kan maken voor jonge moeders (en ook vaders!) om werk en zorg te combineren, volgde niet meer dan vaag gemompel. Niemand durfde echt op het onderwerp in te gaan en we gingen snel over naar een volgend discussiepunt. 

Meer vrouwen op de werkvloer

Later sprak ik één van de dames, negenentwintig jaar oud. Ze vertelde over haar ambitie om een business school te gaan doen, maar sprak ook haar wens uit om een partner en kinderen te hebben. Daarna volgde een zucht, want hoe een carrière en een gezin te combineren in Myanmar, waar traditie en familieverwachtingen zo alles bepalend zijn?  

Het lijkt alsof door de groeiende economie in Myanmar wel steeds meer vrouwen aan het werk zijn, maar dat de huidige banen vooral gericht zijn op kortstondig geld verdienen in plaats van duurzame economische ontwikkeling. Waar ligt dit aan?

Kwantiteit in plaats van kwaliteit

Aan de internationale fondsen die investeren in de ontwikkeling van Myanmar zal het niet liggen. Zij weten dat werk en inkomen voor vrouwen bijdragen aan de welvaart van hele gezinnen (ouders, kinderen, zussen en broers). Subsidies voor economische ontwikkelingsprojecten worden daarom meestal alleen gegeven wanneer deze ook een positieve bijdrage leveren aan gender

Heel goed zou je denken, ware het niet dat ontvangers van subsidies vaak niet zo goed lijken te weten waarom ze iets met gender doen. Ik heb het hier over algemene economische ontwikkelingsprogramma’s, niet over gespecialiseerde vrouwen, meisjes en minderheden projecten. Iets doen aan gender is in deze programma’s (nog steeds) vaak niet meer dan het afvinken van een tick-box: we hebben het onderwerp benoemd, dus we hebben aan de wens van de financier voldaan. 

In de praktijk is de impact van dit soort projecten vaak niet meer dan een ‘aantal’: bijvoorbeeld het aantal vrouwelijke deelnemers in een training of het aantal vrouwen in een sector of bedrijf. Kwantiteit dus in plaats van kwaliteit. 

Fast-labour in de fast-fashion industrie

Een goed voorbeeld van een industrie waar kwantiteit van arbeid nog steeds belangrijker is dan kwaliteit, is de kledingindustrie. Sinds het opengaan van de markt kopen steeds meer grote merken zoals Adidas, H&M, Zara en Lidl hun tassen, t-shirts, broeken en schoenen in Myanmar. Er werken nu al bijna 1 miljoen, met name, vrouwen in de industrie. De grootste afzetmarkt is Europa, dit jaar 60% van de totale export, gevolgd door Korea en Japan. Door de groeiende aandacht voor arbeidsomstandigheden in Europa, dragen de fast-fashion bedrijven bij aan betere arbeidsomstandigheden. De minimum salarissen zijn omhoog gegaan, er zijn maximale werktijden en, stap voor stap, worden werknemersorganisaties opgetuigd. 

We zijn er alleen nog lang niet. Het werken in de fabrieken is hard. Vijf en een halve of zes dagen per week monotoon werk in een vaak te warme fabriekshal. Veel vrouwen houden het dan ook niet veel langer vol dan vijf, zes jaar. Daarna zijn ze vaak opgebrand. Ook is het werk niet makkelijk te combineren met een gezin. De werknemers wonen vaak ver weg van de fabrieken en moeten met overvolle bussen, waar vrouwen regelmatig worden lastig gevallen door mannelijke medereizigers, forensen tussen huis en werk. Veel vrouwen zijn hierdoor angstig, vooral wanneer het al/nog donker is, en ze zijn te weinig thuis om ook voor een gezin te zorgen.

Iemand uit de kledingindustrie vertelde me dat vrouwen er zelf voor kiezen om na een paar jaar geld te verdienen te stoppen om een gezin te stichten. Maar is dit daadwerkelijke een keuze wanneer gezin en werk niet te combineren zijn? Of is er sprake van fast-labour in de fast-fashion industrie, een soort van wegwerparbeidskrachten?

Marije wil graag meer vrouwen op de werkvloer zien in Myanmar. Toch is het onderwerp niet eenvoudig bespreekbaar merkt ze.

Nog niet klaar met verbeteren van arbeidsomstandigheden 

Na jarenlange isolatie zijn organisaties en bedrijven in Myanmar vooral bezig hun economie op te bouwen. Eindelijk kan er geld verdiend worden. Op wat voor manier is (nog) van secundair belang. Het typeert het korte termijn denken van deze economie. Want wie weet hoe Myanmar er volgend jaar voor staat? 

Dit is werkgevers niet helemaal kwalijk te nemen. Maar wat als de economie gewoon door groeit en Myanmar wel open blijft? Als dat zo is, moeten organisaties en bedrijven juist investeren in hun mensen zodat je loyale werknemers krijgt die ook in de toekomst willen en kunnen aanblijven.

En de internationale bedrijven? Bij kritische vragen wordt er naar mijn idee wel erg makkelijk gezegd dat het nu eenmaal zo gaat in Myanmar: ‘alle Myanmarezen werken zes dagen per week, alle fabrieken zijn stoffig en warm, geen enkel bedrijf investeert in het combineren van werk en zorg’. Dan vraag ik mij toch altijd af: zou je deze werkomstandigheden ook goed genoeg vinden voor je eigen dochter, vrouw of zus en hun mannelijke equivalenten? Even voor de duidelijkheid: in Nederland hebben we al meer dan een halve eeuw een vijfdaagse/ veertigurige werkweek (23 december 1960). Wanneer het antwoord nee is, dan lijkt het me duidelijk dat we nog niet klaar zijn met het verbeteren van arbeidsomstandigheden in Myanmar. 

Niet alleen een ‘tick-in-the-box’

Ik zie het als de verantwoordelijkheid van internationale organisaties en bedrijven om bij te dragen aan kennis en bewustzijn over goede, lees gezonde en duurzame, arbeidsomstandigheden voor al haar werknemers, inclusief vrouwen. Dit is onafhankelijk van de sector, geschoold of ongeschoold werk, met een formeel of informeel dienstverband. Alle vrouwen, op kantoor, in de fabriek, in huishoudelijk werk en in de rijstvelden, verdienen het namelijk om meer te zijn dan alleen een tick-in-the-box. 

mm
Mingalabar! Mijn naam is Marije en sinds 2018 woon ik met mijn lief en kids (tien en acht) in Yangon, Myanmar. Van 2003 tot 2007 hebben we ook in Azië gewoond, maar nu voor het eerst als gezin. Een heel andere en erg leuke dimensie. Ik werk in Myanmar als Responsible Business Manager. Ik betrek bedrijven bij het bevorderen van arbeidsomstandigheden, eerlijke betalingen, verantwoorde consumptie enz. Daarnaast schrijf ik blogs, vanaf 2019 ook voor De Wereldwijven.